Omgaan met een ‘puberende brein’ ….

Het gedrag van pubers roept vaak vraagtekens op bij opvoeders; ze zijn zo anders dan in hun kindertijd, vaak gesloten naar hun ouders, ze doen vaak domme dingen en nemen grote risico’s. Waarom in Godsnaam?! En leren ze het nu nooit?! Pubers kunnen ouders tot wanhoop brengen en huiselijke relaties kunnen aardig verstoord raken. Het aantal slapeloze nachten van ouders is vaak niet te tellen. ‘Waarom?!’ lijkt de grote vraag te zijn. Als ouder begrijp je je puber simpelweg niet, laat staan dat je vrijwillig kiest voor ‘schuurpapier’ situaties. Het boek ‘Het Puberende Brein’ van Eveline Crone beschrijft heel duidelijk de ontwikkeling van de hersenen in de periode van de adolescentie en het effect ervan op het gedrag van de adolescent.

Een belangrijke conclusie in het boek is dat het niet klopt dat bepaalde hersengebieden bij pubers nog niet volgroeid zijn; de communicatie tussen hersengebieden verloopt grillig of niet optimaal.
De ontwikkeling van de verschillende hersengebieden wordt aangestuurd door hormonen. Door allerlei zintuiglijke, cognitieve, emotionele en sociale prikkels ontwikkelen bepaalde hersengebieden zich stormachtig: er ontstaan steeds meer en efficiëntere verbindingen. Zodoende ontstaat er belangstelling of talent voor bijv. sport, muziek, mode enz.
Niet alle hersengebieden ontwikkelen zich echter in hetzelfde tempo. Dat veroorzaakt vaak typisch gedrag bij adolescenten. Crone geeft een voorbeeld van een meisje van 15 dat samen met een vriendin een piercing laat zetten van het geld dat ze mee heeft gekregen voor een winterjack. Het gebied ‘emotionele kicks’ (Cool als ik maandag de piercing op school kan laten zien!) overheerst het gebied dat haar laat nadenken over de gevolgen van haar gedrag (geen winterjack, ouders boos).
Er is een verschil tussen puberteit (seksuele volwassenwording, ca. 10-14 jaar) en adolescentie (overgangsfase tussen kind en volwassene, ca. 10-22 jaar). Het typische gedrag van pubers en hun lichamelijke ontwikkeling heeft ‘hormonen’ als gemeenschappelijke oorzaak. Een opvallend gevolg van de veranderende hormoonhuishouding is een verstoord slaapritme. Pubers hebben zo’n 9 tot 9,5 uur slaap nodig maar komen daar bijna nooit aan omdat hun lichaam pas laat het slaaphormoon melatonine afgeeft. ’s Morgens is het andersom, ze zijn dan niet hun bed uit te krijgen. Het slaaptekort kan ook weer leiden tot stemmingswisselingen. Onhandelbaar gedrag en emotionele uitbarstingen zijn dus soms eenvoudig een gevolg van een veranderend bioritme.
Al die lichamelijke/hormonale veranderingen hebben gevolgen voor (1) de cognitieve vaardigheden (bijv. schoolprestaties); (2) emotioneel gedrag; (3) sociaal gedrag; en (4) creatieve vermogens. Die veranderingen zijn al eerder beschreven door ontwikkelingspsychologen, maar pas de laatste jaren kunnen we ze verklaren vanuit hersenonderzoek.
Wat cognitieve vaardigheden betreft ontdekte Piaget dat opgroeiende kinderen steeds beter zgn. executieve (uitvoerende) functies beheersen. Dat zijn taken waarbij je verschillende vaardigheden tegelijk nodig hebt. Bijvoorbeeld informatie vasthouden in je gedachten, zoals spelregels en afspraken. Als je executieve functies goed ontwikkeld zijn, kun je beter inspelen op complexe situaties zoals huiswerk maken voor meerdere vakken of een nieuw spel leren.
Een andere ontwikkeling is het vermogen om je te verplaatsen in een ander, of in een hypothetische situatie (Hoe zou het voelen als je als islamitische vrouw geen burka meer mag dragen?). Adolescenten kunnen steeds beter meningen vergelijken en worden kritischer. Naast de cognitieve ontwikkeling verandert er ook veel aan hoe een puber tegen zichzelf en anderen aankijkt (psychosociaal gedrag).

Het lerende brein

Leren doet een beroep op een groot aantal deelvaardigheden: je concentreren op één ding, informatie filteren, onthouden, toepassen, je gedrag/inzicht aanpassen (bijv. als de leraar je corrigeert). Deze vaardigheden ontwikkelen zich niet tegelijk. Een intelligente leerling kan blijven zitten vanwege een gebrek aan concentratie of planning.
Bij kinderen ontwikkelen de meeste probleemoplossingsfuncties zich tussen 4 en 12 jaar (basisschoolleeftijd). Ze kunnen dan feilloos een vreemde taal leren (grammatica, woordenschat, uitspraak) en hun redeneervermogen neemt enorm toe. Maar andere controlefuncties, zoals planning en flexibiliteit rijpen nog tot in de late adolescentie.

Inhibitie is het remmen of stoppen van automatisch, primair gedrag. Het speelt een rol bij het aanpassen van je gedrag als gevolg van regels, correctie door iemand anders en bewust/moreel handelen. Je zou het ook discipline kunnen noemen. Het hersendeel dat hiervoor verantwoordelijk is ontwikkelt zich vooral tussen het 12e en 18e jaar. Jonge adolescenten kunnen dus nog niet zo goed hun gedrag remmen, bijvoorbeeld even niet reageren op geklets in de klas of een sms’je tijdens het leren. Dus anders dan vaak beweerd wordt, zijn tieners helemaal niet goed in multitasken! Ze zijn vlug en graag afgeleid.

Flexibiliteit is wel de belangrijkste controlefunctie. Als je iets anders moet doen dan je wilt of gewend bent, vereist dat flexibiliteit. Het vormt de basis van leren. Want een nieuwe taal, spelregels of een computerprogramma leer je in een wisselwerking van doen – gecorrigeerd worden – anders doen. Volledige flexibiliteit is er pas op ongeveer 15 jaar.
Veel adolescenten gaan door periodes heen waarin ze overgevoelig zijn. Ze lijken een kort lontje te hebben en reageren over-emotioneel, variërend van de slappe lach tot depressiviteit. Onderzoeken bevestigen dat het emotiegedeelte van de hersenen soms overactief is.
Het blijkt dat pubers vaak korte-termijnbeslissingen nemen, risico’s nemen en onbezonnen reageren omdat ze niet de lichaamswaarschuwingen ervaren (m.a.w. de intuïtie missen) van volwassenen.
Pubers kunnen gevaren wel beredeneren (wat roken en gezondheid betreft bijv.), maar ze niet voelen. Gevaarlijke situaties zoals skaten op een brugleuning overzien ze niet. Bovendien zijn adolescenten extra gevoelig als ze weten dat er een (mogelijke) beloning aankomt. Ze kunnen gevaar of bezwaren best beredeneren maar ze missen het waarschuwingsgevoel, het zgn. onderbuik gevoel. Het emotiecentrum wordt bij het vooruitzicht van een beloning hyperactief (een naderende vakantie met vrienden, disco in Spanje, flirten, enz.).

Psychologen constateren een toenemend vermogen bij tieners om zich in een ander in te leven. Geleidelijk ontstaat een balans in vriendschappen tussen voor jezelf opkomen en het belang van de ander.

Ondanks dat de indruk kan zijn ontstaan dat adolescentenhersenen onvolgroeid, minder efficiënt en minder bekwaam zijn, zijn ze tegelijkertijd veel flexibeler, met een overmaat aan grijze cellen bovendien. Pubers zijn daardoor veel creatiever en vindingrijker dan volwassenen bij wie beslissingen vaak langs cognitieve, gebaande paden lopen. Adolescentenhersenen kunnen zich ook sneller aanpassen door oefening waardoor tieners o.a. muzikaal of sportief kunnen uitblinken.
Jongeren zouden derhalve ook een creatieve bijdrage kunnen leveren aan het schoolsysteem. In de afgelopen jaren is een te groot beroep gedaan op de zelfstandigheid van tieners (vroeg kiezen van een opleidingsvorm, profiel- en pakketkeuze, zelf plannen en doorwerken). Een dialoog met hen zou kunnen leiden tot onverwachte creatieve oplossingen.

Dit boek op bol.com

Geplaatst in Actueel. Bookmark the permalink.

Je kunt niet reageren.